Milking Journey - Melken zoals de koe dat wil
Een gesprek met Paul Peetz. Geschreven door Ella Gorte
Wie naar de melkrobot kijkt, ziet een ogenschijnlijk simpel ritueel: erin lopen, borstelen, aansluiten, melken, sprayen en weer naar buiten. Maar achter dat vaste patroon schuilt voor de koe een verfijnd samenspel van prikkels, hormonen, data en techniek. Elke koe is uniek, met eigen behoeftes die zelfs per dag kunnen wisselen. Daarom zouden we ons vaker moeten afvragen: hoe voelt en ervaart zíj het moment dat ze de robot instapt?

Milking Journey
Daarover praat Paul Peetz, Milking Technology Manager bij Lely, met aanstekelijke passie. Met meer dan dertig jaar ervaring in de melkveehouderij is hij voor velen een autoriteit op het gebied van melktechnologie. Iedereen die met Paul aan tafel zit, merkt het direct: hij denkt altijd vanuit de koe en weet haar biologische proces te vertalen naar techniek en data.
“Hoe beter je jouw koe als individu begrijpt,” zegt hij, “hoe meer je haar potentieel kan benutten, zonder haar gezondheid aan te tasten.”
Paul noemt dit zelf “The Milking Journey”: een cyclus van controle, nauwkeurigheid, complete melking, verzorging en snelheid – steeds opnieuw, elke dag, elke melking in elke Astronaut.
“De melkrobot geeft ons de mogelijkheid om een koe te melken zoals mijn grootvader dat deed,” vertelt Peetz. “Op zijn knie, dicht bij de koe, met aandacht voor ieder individu en elk kwartier. Alleen doen we dat nu mét technologie en data, met meer aandacht en meer precisie. En dus met veel meer inzicht in wat er in de individuele koe gebeurt.”
Rust en regelmaat: de kracht van herhaling bij het melken
“Het goed runnen van een melkveebedrijf is eigenlijk heel saai,” glimlacht Peetz. “Elke dag dezelfde routine, het liefst op dezelfde tijd. Maar precies dáár houden koeien van.”
Volgens hem zit de kracht van succesvol melken in voorspelbaarheid, regelmaat en rust. “Hoe voorspelbaarder de omstandigheden, hoe beter koeien gedijen. Voor ons mensen voelt herhaling misschien saai, maar voor de koe is het dé voorwaarde om optimaal te presteren – en laat dat nou precies zijn waar onze robots in uitblinken.”
De koe heeft twee melkvoorraden: 20% en 80%
“Veel mensen denken dat voorbehandelen vooral schoonmaken is, misschien zelfs iets waarop je tijd kunt besparen,” zegt Peetz. “Maar biologisch gebeurt er veel meer. Een koe heeft twee melkvoorraden: zo’n 20% ligt direct klaar in de cisternen, de overige 80% zit dieper in de alveoli. Om die tweede voorraad vrij te krijgen, moet de koe eerst worden gestimuleerd.”
In de natuur geeft het kalf die prikkel door met de kop tegen de uier te stoten. Dat stimuleert de afgifte van oxytocine, het hormoon dat melk laat toeschieten. “In de robot nemen de borstels die rol over,” vervolgt Peetz. “Het voorbehandelen is dus veel meer dan schoonmaken: het is de biologische sleutel tot melkafgifte. Daarbij speelt comfort een rol: een aangename, consequente ervaring met de juiste pulsatie en vacuüm zorgt dat de koe de stimulatie positief associeert en makkelijker melk vrijgeeft.”
Die verdeling van 20/80 is bovendien niet statisch en verschilt per koe en melkfrequentie. “Een koe die na zes uur weer gemolken wordt, kan soms nog maar 5% in de cisternen hebben en 95% in de alveoli,” legt Peetz uit. “Daarom is een goede afstemming van melkfrequentie én voorbehandeling per koe cruciaal voor een vloeiende melkcurve.”
Voorbehandeling en het toeschieten van melk: 60–90 seconden
Stimulatie is maatwerk: sommige koeien reageren snel, anderen hebben meer tijd nodig. In de melkrobot gebeurt dit via het borstelen, waarbij duur, comfort en een consequente beweging belangrijk zijn.
“Als dat aangenaam en lang genoeg gebeurt, krijgt de koe de juiste prikkel,” zegt Peetz. “Maar dit proces kost tijd. Tussen de prikkel en het toeschieten van de melk zit gemiddeld 60 tot 90 seconden. Wie hier tijd probeert te winnen door korter voor te behandelen, krijgt juist problemen zoals bimodaliteit.”

Bimodaliteit: een ongewenste pauze in het melkproces
Elke veehouder herkent het: een koe die even stilvalt in de melkstroom. In de data zie je dat terug als bimodaliteit.
“Niet elke koe reageert hetzelfde,” legt Peetz uit. “Waar de één direct melk laat toeschieten, heeft de ander meer tijd en comfort nodig. Juist in die verschillen toont de melkcurve hoe belangrijk individuele aandacht is.”
Zo’n onderbreking lijkt misschien onschuldig, maar de gevolgen zijn duidelijk. De melktijd wordt langer, de spenen raken zwaarder belast en de efficiëntie daalt. Nog belangrijker: bimodaliteit vergroot de kans dat de melkstroom stopt of vertraagt vóórdat de uier volledig leeg is. Dat kan leiden tot een onvolledige melking én tot hogere vacuümwaarden rond het speenmondstuk – iets wat de koe direct voelt. Minder comfort en zelfs pijn aan de speen zijn vaak het resultaat.
Vooral koeien die vaker naar de robot lopen en met minder gevulde uiers komen, zijn hier gevoelig voor. “Daarom is zicht op deze dieren en de juiste instelling van een consequente, voldoende lange en aangename voorbehandeling per individu essentieel,” zegt Peetz.
Dat dit verschil maakt, blijkt in de praktijk: bij 4.800 veehouders werd binnen vier weken een reductie van 40% in bimodaliteit gerealiseerd door per individuele koe de borsteltijd optimaal in te stellen. Het resultaat: vloeiendere melkcurves, kortere melktijd en meer comfort voor de koe.
Of zoals Peetz het zegt: “Let data guide decisions, want de koe laat in haar melkcurve zien wat ze nodig heeft.”

Slim sturen van melkfrequentie
“Het gaat er niet om hoe vaak je melkt, maar hoe goed en compleet die melking is – bij elke koe, elke melking, elk kwartier, elke dag,” zegt Peetz.
Het klinkt misschien tegenstrijdig, maar minder vaak melken kan soms juist méér rust en melk opleveren. “We weten steeds beter hoelang het duurt voordat een uier weer vol is en klaar is om gemolken te worden. Dat verschilt per koe en per melking. Daarom komen we terug van het idee dat koeien zo vaak mogelijk naar de robot moeten. Door de melkfrequentie slimmer te sturen, ontstaat rust in de stal. Minder dominante koeien of vaarzen krijgen meer ruimte om de robot te bezoeken en de spenen krijgen tijd om te herstellen. Dat heeft een gunstig effect op de melkcurve, de gezondheid én de kwaliteit van de melk.”
Aansluiten in precisie: leren van de koe
“Je moet goed beginnen om ook goed te kunnen eindigen,” zegt Paul. Na de voorbehandeling volgt het aansluiten – en ook daarbij is elke koe anders. “De vorm en positie van de spenen verschillen per koe en zelfs per melking. Daarom is het belangrijk dat dit rustig en precies gebeurt.”
Goed aansluiten maakt voor de koe het verschil tussen een prettige, vloeiende melking of onrust en extra belasting van de speen. Zit een tepelbeker niet direct goed, dan kost dat tijd, verhoogt het risico op pijn en verstoort het de melkcurve.
Een van de hulpmiddelen om dit te voorkomen is TDS2+ (Speendetectiesysteem 2+). Deze nieuwste technologie gebruikt laser en camera om de spenen sneller en nauwkeuriger te vinden. Voor de koe betekent dat rust en comfort – precies waar het om draait bij een goede start van elke melking.

Daarnaast worden gegevens zoals vacuüm, pulsatie, aansluitpogingen en melkflow continu gemeten op kwartier niveau. In Horizon komt dit samen. Met de Voorbehandeling Optimalisatie (PTO) worden instellingen automatisch aangepast per kwartier. Zo leert de robot van elke melking en past hij zich automatisch aan, zodat iedere koe de begeleiding krijgt die zij nodig heeft.
Size does matter: de juiste tepelvoering
“De tepelvoering, ook wel liner genoemd, is het enige onderdeel dat langdurig direct in contact staat met de gevoelige speen,” benadrukt Peetz. “We onderschatten vaak de impact van de juiste liner. Een te nauwe, te wijde of verkeerde lengte van de liner kan ongemak veroorzaken en de melkstroom verstoren. Zelfs het materiaal – rubber of siliconen – beïnvloedt het resultaat. Een verkeerde keuze kan leiden tot schade aan de spenen of ongemak bij de koe. En een koe zal dat onthouden voor de volgende melking.”
“Tot voor kort bepaalden we de juiste maat op basis van een steekproef van zo’n dertig koeien,” legt Peetz uit. “Dat gaf wel richting, maar zei te weinig over het hele koppel. Met de nieuwste camera in TDS2+ kunnen we elke koe en speen nog beter meten. Zo krijgt de veehouder nauwkeurig per dier de juiste maat tepelvoering geadviseerd. Het resultaat: meer comfort voor de koe én betrouwbaardere data.”
Complete melking: elk kwartier telt
“Een complete melking is essentieel,” benadrukt Peetz. “Het draagt bij aan de productie, ondersteunt de uiergezondheid en geeft de koe een betere melkervaring. Niet te kort, niet te lang – precies goed.”
Niet elk kwartier van de uier levert evenveel melk. Sommige kwartieren zijn productiever dan andere, en ieder kwartier heeft zijn eigen optimum. Dankzij data kan de robot dat nauwkeurig volgen en daar ligt precies de kracht van de melkrobot: hij beoordeelt continu wat er gebeurt – per koe en per kwartier. Zodra een kwartier leeg is, koppelt de robot de melkbekers voorzichtig en op tijd af. Zo wordt te lang door melken voorkomen en onvolledig melken uitgesloten.
Nazorg en rust voor het uier en de koe
Elke koe zou de robot na het melken met een goed gevoel moeten verlaten. “Alles moet kloppen,” zegt Peetz. “Voorbehandeling, het juiste moment van afhalen, nazorg – dat bepaalt of de koe volledig en comfortabel wordt uitgemolken en haar productie op peil blijft of zelfs nog groeit.”
Het afsluitende sprayen verzorgt en beschermt de spenen hygiënisch, waarna de koe rustig en zonder stress via de ruime, vloeiende uitloop de robot kan verlaten.
“Een koe die ontspannen de robot verlaat, komt de volgende keer ook weer graag terug. Rust, comfort en vertrouwen zijn daarbij allesbepalend.”
Data maakt het zichtbaar
Hoe fijn zou het zijn als je in één oogopslag ziet welke koe extra aandacht nodig heeft, zonder je zorgen te maken over de rest? Precies dát is wat data mogelijk maakt.
“Data is onze gids,” zegt Peetz. “We zien bij welke koe bimodaliteit optreedt, waar de melkcurve verstoord raakt of waar incomplete melkingen dreigen. Maar ook zaken als uiergezondheid, herkauwactiviteit, loopgedrag, temperatuur en tochtigheid worden zichtbaar. Alles wat de koe ons vertelt, komt terug in de data.”
Toch is data pas waardevol als je er iets mee doet. “Met gemiddelde instellingen krijg je ook een gemiddeld resultaat,” benadrukt Peetz. “Precisie is daarbij cruciaal: staat een instelling net iets te hoog of te laag, dan mis je het effect volledig. Het is als schieten op een doelwit – zit je er een meter naast, dan raak je niets.”
Robots en data maken dat verschil mogelijk: feiten in plaats van aannames, zodat de veehouder het beste uit elke koe én de hele kudde kan halen.
Van biologie naar beter boeren
Voor Peetz draait melken in de robot uiteindelijk om één kernvraag: wat heeft zíj nodig om optimaal te presteren en zo lang mogelijk gezond te blijven?
“De robot ziet, voelt en registreert hoe elke koe reageert,” zegt hij. “Dat brengt ons steeds terug naar het individu – maar dan met de precisie en efficiëntie van vandaag.”
De basis daarvoor begint al vroeg: een gezond kalf uit een fitte moeder, een goede opfok en een eerste positieve ervaring in de robot voor vaarzen. “Die basis kun je maar één keer goed leggen,” benadrukt Peetz.
De koe geeft ons haar melk – dat kunnen we niet afdwingen. Het is onze taak om ervoor te zorgen dat ze dit met een goed gevoel en in goede gezondheid nog vele jaren kan blijven doen. De synergie tussen mens, techniek en koe – waarin routine, data en individuele zorg samenkomen – is daarbij de sleutel.
“Moet je nagaan waar we ooit begonnen zijn,” glimlacht Peetz. “En waar we nu staan… en we weten niet eens waar het stopt.”
A complete milking for every quarter of every cow in every Astronaut – every time.
Oftewel: een complete melking, elk kwartier, van iedere koe, in iedere Astronaut – elke keer opnieuw.






